|
Demotie Instrument voor
leeftijdsbewust personeelsbeleid
Demotie (een professionele stap
terug) kan aangewend worden als instrument voor een leeftijdsbewust
personeelsbeleid. Maar dan mag het niet langer als een degradatie
beschouwd worden.
De jongste twee decennia verlaten
steeds meer werknemers de arbeidsmarkt nog voor ze de pensioengerechtigde
leeftijd hebben bereikt. Cijfers van het Hoger Instituut voor de Arbeid
(Hiva) zeggen genoeg: terwijl in 1979 het actieve deel van de mannelijke
bevolking in de leeftijdscategorie 50-65 jaar nog 63 procent bedroeg en
het percentage vroegtijdig uitgetredenen op 14 procent lag, was die balans
in 1993 al doorgeslagen. Toen was het actieve aandeel gedaald tot 36
procent, terwijl de groep vervroegd uitgetredenen 42 procent bedroeg.
Momenteel is nog iets meer dan eenderde van de vijftigplussers actief op
de arbeidsmarkt. Het verschil met het Europese gemiddelde, dat op 47
procent ligt, is frappant. Voorts blijkt uit dezelfde Hiva-gegevens dat in
1995 slechts 3 procent van de vacatures in België werden ingevuld door
45-plussers, terwijl die groep 18 procent vertegenwoordigt van het
werknemersaandeel. Herstructureringen en saneringsoperaties zijn vaak
de aanleiding om oudere werknemers als overtollig personeel aan de kant te
zetten. Het argument dat hun prestaties niet meer optimaal zijn en ze
zwaar doorwegen op de loonkosten, vormt de motivatie voor die keuze. Uit
onderzoek blijkt echter dat dit gegeven op een misvatting berust, maar hoe
dan ook maakten bepaalde reglementeringen – niet in het minst het
brugpensioen – het vroegtijdig vertrek van oudere werknemers in sommige
omstandigheden financieel aantrekkelijk voor werkgevers. Bovendien gold
brugpensionering als een algemeen aanvaarde sociale oplossing voor het
wegwerken van een teveel aan arbeidskrachten. Maar het ongebreidelde
gebruik van brugpensioen wordt op termijn onhoudbaar en zal in Europese
context grondig aan banden worden gelegd – overigens hebben Nederland,
Frankrijk en Duitsland enkele jaren geleden al initiatieven genomen om
vroegtijdige uittreding uit de arbeidsmarkt af te remmen. De nood aan een
"leeftijdsbewust personeelsbeleid" dringt zich meer dan ooit op. Door
de toepassing van brugpensioen gooiden werkgevers dikwijls het kind met
het badwater weg, want samen met de oudere kaderleden die het bedrijf
verlieten, verdween ook hun ervaring en kennis. Een leeftijdsbewust
personeelsbeleid is er precies op gericht om de kennis en ervaring van de
oudere werknemers optimaal te benutten en er tegelijkertijd voor te zorgen
dat ze de motivatie en dynamiek niet verliezen. Met andere woorden: ook
oudere kaderleden mogen niet in hun positie gebeiteld zitten en de
doorgroei van jonge talenten op die manier verhinderen, maar moeten zelf
ook de mogelijkheden krijgen om zich verder te ontplooien. Dat kan via
opleidingen, maar bijvoorbeeld ook via een verschuiving van functies en
verantwoordelijkheden. Voor sommigen kan dat een stap terug betekenen,
demotie, het omgekeerde van promotie. In dat geval komt het erop aan om
nauw overleg te plegen en in begeleiding te voorzien bij de
loopbaanombuiging.
Van internationaal naar
KMO
Op de huidige arbeidsmarkt speelt het
leeftijdselement nog een opvallend grote rol, wat men ook moge beweren
over het optrekken van de activiteitsgraad bij 45-plussers. Het verhaal
van Bob Bruynseels illustreert dat: "Ik was 49 jaar toen ik in
outplacement terechtkwam en heb aan den lijve ervaren dat mijn leeftijd
een behoorlijke handicap vormde. Als ik morgen de kans krijg om opnieuw
een functie in de financiële sfeer op te nemen bij een internationaal
gericht bedrijf, zal ik die niet laten liggen. Maar op een 56-jarige
zitten weinig werkgevers te wachten." Bruynseels is momenteel
administratief en financieel directeur bij de Antwerpse KMO Dago, een
bedrijf dat zich specialiseert in data- en elektriciteitsbekabeling. Hij
heeft een jarenlange internationale carrière achter de rug. Sinds de jaren
’70 bekleedde hij in diverse ondernemingen financiële topfuncties op
internationaal niveau, onder meer bij Rogers in Gent, Cummins Diesel Sales
Corporation en Burndy, beide gevestigd in Mechelen. Bij dat laatste
bedrijf was Bruynseels als controller verantwoordelijk voor de drie
productie- en vijf verkoopseenheden in België, Nederland, Engeland,
Duitsland, Zweden, Zwitserland, Italië en Spanje. Zijn internationale
loopbaan werd in 1994 plots afgebroken: het Amerikaanse bedrijf Burndy
werd overgenomen door het Franse Framatone. Ook na de Franse overname kon
Bruynseels zijn functie behouden, maar de onderhandelingen over de
voorwaarden liepen spaak. De Antwerpenaar haakte bijgevolg af. Er werd
een outplacementregeling uitgewerkt en die bracht Bruynseels via enkele
tijdelijke opdrachten in contact met verschillende bedrijven. Hij had in
eerste instantie de intentie om een baan te zoeken die op hetzelfde niveau
stond als zijn laatste job. Maar toen hij in 1995 een aanbod kreeg van het
bescheiden Dago - waar hij intussen nog altijd actief is – ging hij daarop
in, waardoor hij de overgang maakte van een wereldwijde organisatie naar
een KMO met amper 50 werknemers. Als stap terug kan dat tellen. Maar
Bob Bruynseels beschouwt dat niet als een negatieve ontwikkeling in zijn
loopbaan: "Hoewel de ambitie blijft sluimeren, zit ik bij Dago niet de
dagen af te tellen tot ik er definitief de deur achter me kan
dichttrekken. Integendeel, ik ben nog altijd zeer blij dat ik de
mogelijkheid gekregen heb om opnieuw aan de slag te gaan, ook al verdiende
ik bij Framatone het dubbele van mijn huidige salaris. Maar ik kon weer
mijn ding doen en dat was het belangrijkste. De grootste aanpassing voor
mij was de klik te maken van een jarenlange internationale loopbaan naar
een KMO-logica. Daar heb ik het nog altijd moeilijk mee." Misschien was
voor Bob Bruynseels een meer elegante oplossing mogelijk als zijn
werkgever Framatone niet alleen outplacement had aangeboden, maar eerst de
mogelijkheid van interne verschuivingen, eventueel met demotie tot gevolg,
had overwogen.
Nadelen
vroegtijdige uitstroomkanalen Collectieve vroegtijdige
uitstroomkanalen – zoals het brugpensioen – hebben voor werkgever en
overheid heel wat nadelen. De werkgever wordt bijna onvermijdelijk
geconfronteerd met een productiviteitsverlies, wegens: - verlies
aan kennis en ervaring - bedrijfsculturele vervlakking (want
weinig oudere werknemers), wat nadelig kan zijn voor de
werksfeer - demotiverende werking voor 40-plussers die wel de
ambitie hebben om nog lang door te werken - het valt – zeker op
de huidige krappe arbeidsmarkt – niet mee om voldoende jonge
vervangers te vinden Het veroorzaakt bovendien een financiële
last voor de overheid: - derving van sociale-zekerheidsbijdragen
wegens inactiviteit - leidt tot toename van zwartwerk -
brugpensioen is een duur systeem - brugpensioen is geen efficiënt
systeem, want het leidt niet tot arbeidsherverdeling (slechts één op
drie vacatures na brugpensioen wordt opnieuw vervangen) - de
financiële last zal nog toenemen door de vergrijzing van de
beroepsbevolking |
Parkeerfunctie
Het debat over demotie krijgt
op gezette tijden een nieuwe impuls. Deze keer zijn de problematiek rond
brugpensioenen en de noodzaak om de activiteitsgraad bij 45-plussers op te
vijzelen, de aanleiding. Op dit ogenblik is evenwel nog maar weinig bekend
over demotie. Het kan zeker nog niet gelden als een volwaardig instrument
van het personeelsbeleid binnen een onderneming. Dat heeft deels te maken
met het gegeven dat op demotie nog steeds een taboe rust. Aangezien in de
bedrijfswereld een cultuur overheerst die gericht is op opwaartse
mobiliteit, wordt demotie immers vaak geïnterpreteerd als een degradatie.
Demotie vergt dus een mentaliteitsverandering. Dat bleek trouwens
overduidelijk bij de zoektocht naar getuigenissen voor deze bijdrage:
personen vinden die, al dan niet op vrijwillige basis, "gedemoveerd" zijn,
vormde geen probleem, maar niemand daarvan toonde zich bereid om met naam
en toenaam te getuigen. Demotie is evenmin een eenduidig begrip. Het
kan een waardevol element zijn van een leeftijdsbewust personeelsbeleid
als het de oudere werknemer de mogelijkheid biedt om op eigen initiatief
een stap opzij te zetten in zijn individuele loopbaan. Op die manier wordt
vermeden dat waardevolle krachten vroegtijdig uittreden omdat ze zich niet
meer kunnen of willen aanpassen aan nieuwe vereisten, nieuwe technieken of
een veranderende omgeving. De al dan niet vermeende vrijwillige basis
waarop een kaderlid beslist om terug te treden, is echter stof voor
discussie. Bovendien is het voor de motivatie van de betrokkene essentieel
dat de aangeboden betrekking op lager niveau geen "parkeerfunctie" is,
maar zinvol blijft. Met name het Nationaal Verbond voor Kaderpersoneel
(NVK) vreest dat het "onderling overleg" waarin demotie wordt doorgevoerd,
niet zelden een dekmantel is voor een door de werkgever opgedrongen
beslissing. De vakorganisatie voor kaderleden ziet demotie graag een
agendapunt worden van het interprofessioneel sociaal overleg. In de
huidige omstandigheden is het immers bijzonder moeilijk om een zicht te
krijgen op de mate waarin en de manier waarop demotie in de Belgische
bedrijfswereld wordt toegepast. Zegt nationaal NVK-secretaris Dirk
Ameel: "Noch werkgever, noch werknemer loopt te koop met maatregelen
omtrent demotie. Het gaat meestal over zeer individuele overeenkomsten die
op maat van de persoon en de situatie worden gemaakt, en die niet
gebaseerd zijn op richtlijnen. Je zou ervan versteld staan hoeveel
specifieke afspraken er met 55-plussers worden gemaakt. Van een visie of
beleid is in dat verband doorgaans geen sprake. Nochtans pleit het NVK er
sterk voor om demotie een onderdeel te laten vormen van een globaal
loopbaanontwikkelingsbeleid. Dat daarover afspraken mogelijk zijn, blijkt
in Nederland: daar is over demotie een algemene nationale richtlijn
uitgevaardigd. Een dergelijke richtlijn lijkt me ook in België niet alleen
wenselijk, maar ook noodzakelijk, vooral in het licht van de
brugpensioenproblematiek." Volgens het NVK is het behoud van salaris
een voorwaarde om demotie succesvol te laten zijn. In bepaalde CAO’s
worden trouwens al clausules opgenomen die bepalen dat een werknemer die
buiten zijn schuld in een lagere functie terechtkomt, een toeslag krijgt.
Het aantal jaren dienst en de meest recente functie kunnen daarbij als
criteria gelden. Pol
Bracke
|