KERSTESSAY (3). Voor het zinken
de kerk uit?
Omdat
religie belangrijk is
Rik Torfs
29/12/2003
Waarin Rik Torfs vaststelt dat een zuivere scheiding tussen
kerk en staat niet mogelijk en al zeker niet wenselijk is. Als alternatief
schuift hij een doelbewuste religieuze politiek naar voren. ,,Waarom niet
denken aan een staatssecretaris voor religieuze
zaken?''
SCHEIDING van
kerk en staat. Dat hebben wij nodig. Als zij er is, heerst er vrede in de
multireligieuze samenleving. Naar die scheiding kijkt eenieder verlangend
uit. Zo lijkt het toch. Want zei men vroeger niet: scheiden doet lijden?
Terecht trouwens. Zelfs afscheid nemen van een vijand brengt een vreemde
opstoot van ontroering met zich mee. En toch spreken steeds meer politici,
filosofen, staatsburgers zich uit voor een radicale scheiding van kerk en
staat.
In Frankrijk bestaat in dat verband een lange traditie.
La laïcité is er heilig. Op school moet zij tot elke prijs worden
gehandhaafd. Tijdens een toespraak die Jacques Chirac op 17 december 2003
in het Elysée hield, noemde hij de school een republikeins heiligdom.
Un sanctuaire républicain. Slik. Drie seconden stilte. Daar kunnen
wij nog wat van leren. Bij ons is een school een gebouw waarin onderwijs
wordt verschaft, helemaal fout natuurlijk. Dat de Franse school een
republikeins heiligdom is, betekent inmiddels wel dat er geen ruimte zal
overblijven voor kleding of kentekenen die al te ostentatief een
religieuze overtuiging verraden.
Belgen drijven de zaken minder op
de spits. Zij zijn pragmatisch en spreken zichzelf voortdurend tegen, wat
niet eens onsympathiek is. De contradictie verhindert een starre
rechtlijnigheid die tot fanatisme voert. Neem nu Steve Stevaert. Hij pleit
voor volle kerken. Hij pleit ervoor, maar anderen moeten ze vullen.
Uitpuilende kerkgebouwen zijn goed voor de cohesie in de samenleving. Een
bloeiende kerk is in het belang van de staat. Maar als de paus naar
aanleiding van het ad limina -bezoek dat de Belgische bisschoppen
aan Rome brachten zijn ongenoegen over onze euthanasiewet (2001) en over
het homohuwelijk (2003) ventileert, vindt Stevaert dat de scheiding van
kerk en staat gevaar loopt. Kritiek van de paus is blijkbaar minder leuk
dan volle kerken. Overigens hebben de uitspraken van de paus - die ik
inhoudelijk niet meteen onderschrijf - niets met de verhouding tussen kerk
en staat te maken. Zij behoren doodgewoon tot het domein van de vrije
meningsuiting. Vrijheid betekent onder meer ruimte voor meningen die
onaangenaam in de oren klinken. De dreigementen en politieke manoeuvres
waarmee een andere buitenlander, Bernie Ecclestone, de paus van de formule
1, naar aanleiding van het dossier-Francorchamps uitpakte, waren trouwens
een veel directer politieke inmenging en schiepen een gevaarlijker
precedent dan de voorspelbare morele wenken die Johannes Paulus II in de
aanbieding had.
Stevaert is tweeslachtig. Chirac is plechtstatig.
En allebei doen zij alsof de scheiding tussen kerk en staat echt bestaat.
Dat is natuurlijk niet zo. Sinds de Franse revolutie wordt de scheiding
als principe steeds vaker erkend, maar de toepassing ervan werd nergens in
Europa consequent doorgevoerd. Weliswaar bestaat er tussen kerk en staat
in de meeste landen een gezond onderscheid, maar dat gaat gepaard met heel
wat contacten en overlappingen.
Vrijwel overal in Europa wordt het
juridisch statuut van kerken en levensbeschouwelijke groepen op twee
niveaus uitgewerkt. Vooreerst is er het niveau van de zuivere
godsdienstvrijheid. De vrijheid om te geloven of niet te geloven, om zich
intern te organiseren, om goederen te verwerven, om kerken te bouwen of te
verlaten, is in principe voor iedereen gelijk. Zowel traditionele als
nieuwe religieuze groepen mogen er aanspraak op maken. In de praktijk zijn
er af en toe strubbelingen. Daarbij komen vooral de getuigen van Jehovah
in beeld, en ook de zogeheten ,,nieuwe religieuze bewegingen'', vaak wat
kort door de bocht sekten genoemd.
Naast het basisniveau van de
godsdienstvrijheid bestaat overal in Europa ook een tweede echelon. Eén of
meerdere godsdiensten genieten een enigszins geprivilegieerde positie. Dat
geldt voor de nationale kerk van Denemarken of voor de Church of England,
die zelfs een officieel statuut hebben. Maar voordelen zijn er evengoed
voor de erkende erediensten in België, de religieuze groepen met
publiekrechtelijk statuut in Duitsland, of de kerken en godsdiensten die
een concordaat (de katholieke kerk) of een contract met de overheid sloten
in Italië. Zelfs in Frankrijk is de scheiding eerder een ideologisch
paradepaardje dan een reëel principe. Een voorbeeld. In 1905 werden de
Franse kathedralen door de staat genaast. De kerk mocht ze blijven
gebruiken voor de eredienst. Vandaag kan die destijds pijnlijke maatregel
alleen maar als een indirecte subsidie worden gezien. De kerk gebruikt het
gebouw, de staat draait als eigenaar op voor de kosten. Mooie
taakverdeling. Het is voor niemand bijzonder lucratief om een kathedraal
in zijn onroerend patrimonium te hebben.
KORTOM, een zuivere
scheiding van kerk en staat bestaat nergens in Europa. En dat is maar goed
ook. Een complete scheiding, de weigering van gelijk welke financiële
steun aan religieuze groepen, is in Europa een kerkvijandige daad. Niet zo
in de Verenigde Staten, waar de scheiding trouwens aanmerkelijk scherper
is. Het is nu net de maatschappelijke context die bepaalt of scheiding van
kerk en staat al dan niet een goed idee is.
In Europa betalen wij
ons blauw aan belastingen. Maar wij krijgen er wat voor in ruil. Het
onderwijs is goedkoop. De sociale zekerheid functioneert nog steeds
behoorlijk. Degelijke gezondheidszorg is geen privilege voor wie rijk of
machtig is. Verder genieten de gekste mensen en dingen overheidssteun:
theatergezelschappen, politieke partijen, in Wallonië zelfs voetbalclubs
(die vervolgens prompt failliet gaan). Kerken elke financiële steun
onthouden is in de Europese welvaartsstaat, waarin gul met overheidssteun
wordt omgesprongen, geen neutrale, maar een lichtjes vijandige
daad.
De kaarten liggen helemaal anders in Amerika. De belastingen
zijn er laag. Maar die medaille heeft een keerzijde. Wie wil studeren aan
een universiteit waar de professoren geletterd zijn, dient meestal een
dure lening af te sluiten. Wie wil sterven in een ziekenhuis met allure en
vriendelijke dienstverlening, weet dat ziekte en dood in de Verenigde
Staten business blijven. Het leven mag dan al gratis zijn, de dood
heeft een prijs. De solidariteit is gering. Iedereen draait op voor zijn
persoonlijke voorkeuren, verlangens en gebreken. Logisch dus dat ook
kerken geen geld krijgen toegestopt. Daar moeten zij zelf maar voor
zorgen, wat doorgaans aardig lukt. Lage belastingen maken iemand blijkbaar
tot een beter, tot een vrijgeviger mens.
Een zuivere scheiding van
kerk en staat in een welvaartsmaatschappij lijkt mij dus niet zo'n goed
idee. Voor een op Amerikaanse leest geschoeide neoliberale samenleving
geldt zulk een voorbehoud minder. Dat is echter geen afdoende reden om bij
ons in Europa nog meer naar het Amerikaanse model op te schuiven. Wij
komen er ook nu al gevaarlijk dichtbij.
Maar hier houdt het verhaal
niet op. Mijn bezwaren tegen een consequente scheiding van kerk en staat
reiken verder. Scheiding leidt tot een verheerlijking van het simpeldom.
De overheid verbant religie naar de privé-sfeer. Ze doet alsof haar neus
bloedt telkens wanneer het om God en zijn trawanten gaat. Precies daardoor
mist ze de kans om een religieuze politiek te voeren die een
maatschappelijk evenwicht nastreeft. De charmes van het Europese model,
waarin de scheiding op zijn minst onzuiver is, heb ik in de praktijk
meermaals mogen ervaren. Na de val van het Sovjetimperium trokken allerlei
Westerlingen naar Centraal- en Oost-Europa om er advies te verschaffen bij
het opzetten van democratisch juridische structuren. Iedereen die er
ernstig uitzag, mocht komen, schijn volstond, er was geen controle.
Wellicht daardoor bezocht ik in die jaren vele landen om er mee te werken
aan nieuwe wetten over godsdienstvrijheid en het statuut van kerken. Ik
maakte geregeld deel uit van kleine groepjes van experts, een zestal, drie
Amerikanen en drie Europeanen bijvoorbeeld. De Amerikanen waren zuiverder
dan wij. Neem nu collega Cole Durham van de mormoonse Brigham Young
universiteit. Hij kende zijn dossiers buitengewoon goed en dronk alleen
Fanta. Tijdens onze eerste consultatierondes -- ik herinner mij een
discussie in Moskou op een ijskoude februarimorgen -- geloofde hij heel
sterk in het exporteren van het Amerikaanse model. Dat betekent dus een
scherpe scheiding van kerk en staat, en ook volledige gelijkheid tussen
alle religieuze groepen. Maar al gauw bleek zuiverheid, zeker in orthodoxe
landen, een doodlopend spoor te zijn. Een Rus, een Roemeen of een Bulgaar
aanvaardt niet dat de nationale orthodoxe kerk exact hetzelfde juridische
statuut geniet als enkele protestantse missionarissen uit Amerika die in
desolate Siberische dorpen aan de lokale bevolking een welstellende god
met Texaans accent aanreiken. De enige manier om in orthodoxe landen
minderheidsgodsdiensten een goede juridische positie te bieden, bestaat
erin om aan de meerderheidskerk een nog beter statuut te verschaffen,
zowel financieel als ceremonieel. Anders uitgedrukt, door de strakke
scheiding van kerk en staat los te laten, door de sterken (lichte)
voordelen te verlenen, blijven de basisrechten van de zwakken overeind.
Wie volledige gelijkheid tussen alle godsdiensten eist, komt uit bij een
vervolging van minderheden. Alleen een actieve religieuze politiek leidt
tot maatschappelijk vrede en een betere bescherming van de
mensenrechten.
SINDS 11 september 2001 wordt een zuivere scheiding
van kerk en staat steeds minder geloofwaardig. Hoe kun je volhouden dat
kerk en staat keurig uit elkaar moeten worden gehouden, wanneer bommen
vallen op je meest geliefde gebouwen? En wanneer onder meer een religieuze
overtuiging aan dat alles ten grondslag blijkt te liggen? Scheiding van
kerk en staat is een vlucht. Zij verraadt angst. En ook onwennigheid om
over religie systematisch na te denken. Vreemd toch hoe de multiculturele
samenleving als een verrijking wordt beschouwd, terwijl de multireligieuze
samenleving voor gevaarlijk doorgaat. In België bestaat er een door de
overheid ingesteld en gefinancierd Informatie- en Adviescentrum inzake de
Schadelijke Sektarische Organisaties (IACCSO). Het verzamelt documentatie
en verschaft informatie. De naam van het centrum spreekt boekdelen. Dat
alles wijst op een eigenaardige situatie: vreemde culturen verrijken,
vreemde godsdiensten maken bang. Nochtans is godsdienst misschien wel het
cultuurproduct bij uitstek, meer dan gekruide gerechten en frivole
danspasjes. Wat er ook van zij, het is moeilijk om de multiculturele
samenleving te promoten en tegelijk haar pikantste, gevaarlijkste en
daardoor ook boeiendste facet, namelijk religie, te bannen van het
publieke toneel.
De overheid bedriegt zichzelf door religie naar de
privé-sfeer te willen terugdringen. Op die manier ontstaat een kloof
tussen wat mensen doen en wat ze denken, tussen hoe ze eruit zien en wie
ze zijn. Naast een geruststellende officiële wereld groeit onderhuids
diens bedreigende spiegelbeeld. Dat doet mij onweerstaanbaar denken aan de
roman De stille kracht, het meesterwerk van Louis Couperus. Daarin
lijken de Hollandse heersers van Nederlands Indië de toestand volkomen te
beheersen. Zij hebben de dingen netjes voor elkaar, alles lijkt vlekkeloos
te verlopen. Maar de ziel van de lokale bevolking wordt vertrapt, en
achter de keurige façade broeit opstand. De werkelijkheid is onzichtbaar,
zichtbaar is slechts een naïeve Hollandse droom.
Het helpt niemand
vooruit om religie tot elke prijs naar de privé-sfeer te willen
terugdringen wanneer zulks haaks staat op het aanvoelen van de mensen.
Elke poging om door een heel officiële scheiding van kerk en staat
,,exotische'' godsdiensten maatschappelijk onbelangrijk te maken, is
vergeefs. Beslissen of iets belangrijk of onbelangrijk is, ligt niet in de
macht van de overheid. De wet bepaalt misschien wel wat legaal, maar niet
wat belangrijk is. Religie hoeft trouwens niet onbelangrijk te worden, zij
mag best belangrijk blijven. De overheid dient er wel zorg voor te dragen
dat religieuze groepen zich geleidelijk humaner en toleranter opstellen.
Om dat proces te kunnen begeleiden, zijn zowel dossierkennis als
communicatieve vaardigheden noodzakelijk. Een complete religieuze politiek
stelt hoge eisen en bestrijkt vele terreinen. Zij kan niet diepgaand
worden uitgewerkt als een nevenproduct van het Centrum voor Gelijke Kansen
en Racismebestrijding.
De radicale scheiding van kerk en staat gaat
gebukt onder haar eigen zuiverheid. Zuiverheid is doorgaans niet erg
realistisch, de bloei van het bordeelwezen is daar een overtuigend bewijs
van. Het alternatief voor een zuivere scheiding is een doelbewuste
religieuze politiek. Waarom niet denken aan een staatssecretaris voor
religieuze zaken? Zo iemand zou zich met alle religieuze dossiers kunnen
bezighouden: de relaties met de erkende erediensten waaronder de
katholieke kerk en de islam, de politiek tegenover nieuwe religieuze
bewegingen zoals de Scientology Church, de band tussen de multiculturele
en de multireligieuze samenleving, het begrip religieuze neutraliteit in
het publieke leven, de grenzen van de godsdienstvrijheid in een
democratische samenleving. Een aardig pakket. Dat lijkt mij wel wat voor
een mooie jonge politica die in complexe problemen welbehagen
schept.
Rik Torfs doceert kerkelijk recht aan de KU Leuven
deel 4